Harlingen – Lauwersoog

Op zaterdagmorgen, 18 juli 1981, vertrekken we om één minuut voor zeven uit Harlingen. Donderdagavond hebben we alle spullen al aan boord gebracht, zoals voedsel, water, de opblaasboot en dergelijke zaken. Dit idee van Hilda blijkt erg waardevol en bevordert een rustig vertrek. Het eigenlijke vertrek heeft eigenlijk al op vrijdagavond plaatsgevonden. De heer van Eijk van Heslinga heeft ons nog even door de brug gelaten en het overnachten vindt plaats aan de andere kant.

Omdat we  hebben besloten om de eerste dag via de Wadden en door Westgat bij Schiermonnikoog naar Borkum te varen moeten we vroeg voor het Kimstergat zijn. Dit lukt wonderwel. Reeds tussen de boeien K6 en K8 lopen we aan de grond. Na een minuut of twintig gaat het moeizaam weer verder. Na nog een tweede keer aan de grond te zijn gelopen nelanden we om kwart over negen bij de K18 weer in dieper water. het passeren van het Kimstergat heeft veel meer tijd gekost dan tijden een tevoren gemaakte proefvaart naar Ameland.

Met een matige westenwind gaat het door het Vingergaatje en door het vaarwater van de Zwarte Haan richting Ameland. Via het Danziggat, het Kikkertgat en de Zuiderspruit bereiken we het wantij onder Ameland. We zijn er ons wel degelijk van bewust dat er niet veel tijd over blijft om over dit wantij heen te komen. We meten dan ook diepten van slechts 1,5 meter. In de Holwerderbalg aangekomen hebben we het bevrijdende gevoel dat we het hebben gehaald. We zijn echter wel ruim drie kwartier achter op het geplande schema. Een paar tonnen vanaf de HB7 tot de HB/PG staan niet op de plek zoals op de kaart (editie 1981!) is aangegeven, maar we komen keurig in het Pinkegat.

We hebben de wind weer veel ruimer dan in de Holwerderbalg en we zeilen dus ook weer veel harder. Een platbodem die op de motor een mijl voor ons uit vaart komt haastig terug als hij van het Pinkegat wil oversteken naar het Smeriggat. Een waarschuwing voor dat ons plannetje niet zal lukken. Ik zit aan de kaartentafel binnen en na de PG2 waarschuwt Hilda me dat ze de PG4 niet ziet, waar we een scherpe bocht moeten maken. Ook ik zie hem niet als ik buiten kom en we weten ook niet zo goed waar we naar toe moeten varen. Voor we een volgende ton kunnen identificeren zitten we aan de grond en wel zo muurvast dat we beseffen dat we dit tij niet meer los zullen komen. Erger nog, we zullen droogvallen!

We pompen de rubberboot op en brengen een anker uit met de ankertros aan de voet van de mast. De boot wordt dwars op de stroom gelegd om de kiel door de stroom in te laten graven. Met stootwillen en een skippybal ter bescherming vallen we toch nog redelijk rechtop droog. Om de tijd te doden maken we met de kinderen wandelingetjes op de zandplaat. We kunnen dan goed zien waar we langs hadden moeten varen. Om een uur of negen ’s avonds hebben we weer genoeg water onder de kiel en gaan ankeren ten noorden van de Engelsmanplaat. Omdat we wat gieren en het niet zo heel erg vertrouwen gaan we toch maar naar Lauwersoog.

Dit artikel is gepubliceerd in categorie 1981 - Zweden.