Rømø – Hvide Sande

Rømø – Hvide Sande, 23 juli 1981

We hebben bij aanvang van de reis gezegd dat we zo snel mogelijk naar de Limfjord willen doorvaren. Dat is ook de reden dat we de volgende morgen om kwart voor vijf al weer varen. Het zicht is maar een halve mijl, maar door de typische Deense betonning kunnen we uitstekend de weg vinden. Bij de Noordpunt van Sylt komen we de lichtblauwe Deense vissersboten tegen die we gisteravond zagen uitvaren, ze komen in de vroege morgen weer terug. Of ze veel gevangen hebben weten we niet, we kunnen het aan de diepgang niet zien.

In het Listertief, de brede vaargeul naar dieper water is het zicht nog steeds een halve mijl. We besluiten tot de uiterton te varen en dan te kijken hoe het zicht is. Scheveningen meldt matig zicht maar geeft tevens een stormwaarschuwing kracht 7 voor Doggersbank en Fladengronden, maar wij varen in de Duitse bocht. Het geluk is met ons, want als we de groene ‘3’ passeren kunnen we nog steeds het vuurtorentje van List-West nog zien en trekt de mist dus op. De wind is nog steeds zuidelijk en de spi wordt dan ook spoedig gehesen. Als we om negen uur Röter klit sand passeren kunnen we het gegist bestek controleren. We zien de dieptemeter teruglopen naar 7 meter in plaats van de gebruikelijke twaalf. Ook zien we aan de  golven dat er een ondiepte moet zijn. In de loop van de morgen trekt de wind wat aan en moeten we de spi neerhalen.

Af en toe zien we door de mist schepen en we weten dat we de toevoerroute naar Esbjerg naderen. Zekerheid hierover hebben we als we om kwart over elf boei 4 van deze route aanlopen. Het waait inmiddels stevig en de wind draait steeds verder naar het westen. Het passeren van Blåvandshuk, het meest westelijke puntje van Denemarken brengt ons in een wat onzekere situatie. het zicht is er veel beter op geworden en we hebben verkozen om de kortste route door het Ringkøbing Dyb te nemen. Daarvoor moeten we eerst een drempel van 4 meter passeren en daarna door een trog waar we in het midden van de geul een diepte van 13 meter zouden moeten meten. Die diepte meten we echter niet. Ook vinden we geen geel boeitje halverwege. Omdat de diepte niet onder de 7 meter komt volgen we de uitgezette koers. Peilingen op de wal wijzen ook uit dat we goed zitten. Toch zijn we opgelucht als we door peilingen op Ringebjerge bake positief kunnen vaststellen dat we het Horns Rev achter ons hebben. Van kennissen horen we later dat die dezelfde ervaringen hadden.

Met een heldere lucht en een nog steeds matige zuidwestelijke wind komen we om kwart over zeven aan in Hvide Sande, een vissersplaatsje met weinig accomodatie voor jachten. Met de kinderen wandelen we door de duinen, over het strand en door de haven waar de visverwerkingsfabriek een enorme visgeur verspreidt. Vanuit de fabriek wordt vis verkocht want we zien tenminste nogal wat mensen die er met een emmertje vis vandaan komen.

‘sAvonds om 10 over tien beluisteren we Norddeich radio en de verwachting is dat we met zuidoostelijke winden te maken zullen krijgen, terwijl Scheveningen sprak over Noord-NoordOost. Na de gebruikelijke neut en het uitzetten ven de route voor de volgende dag gaan we slapen.

Dit artikel is gepubliceerd in categorie 1981 - Zweden.